Borre is met Pluisdier het
huisdier op de kermis.
Ze zijn al in de draaimolen, het
reuzenrad en de botsauto's geweest.
In zijn hand houdt Borre een
touwtje vast met daaraan een
reusachtige, knalroze ballon in
de vorm van een spin.
Die heeft hij gekocht van de
kermiscenten die hij van zijn oma
heeft gekregen.




s
spin

‘Hé, kijk daar,’ zegt Borre
tegen Pluisdier.
‘Een suikerspinnenkraam!’
Borre heeft wel trek in zo'n
mierzoete suikerspin.
Maar hij is niet de enige.
Voor de suikerspinnenkraam staan al
veel mensen ongeduldig te dringen.
Borre en Pluisdier sluiten netjes
achter in de rij aan.




r
rij

Er komt een bolle man
achter Borre staan.
Hij begint meteen te dringen
en stoot met zijn kogelronde
buik tegen Borres elleboog.
Het is zo'n harde duw, dat het
touwtje van de spinnenballon
uit Borres hand glipt.
‘Oh nee!’ roept Borre uit.
Hij probeert het touwtje nog
te pakken, maar hij grijpt mis.
Over de hoofden van de mensen
in de rij zweeft de ballon weg.




w
wolk

Pluisdier wil de ballon
voor Borre redden.
Zelf vindt hij die knalroze
spin een beetje eng,
maar zijn baasje vindt hem
mooi en dat is het enige wat telt.
Tussen de benen van de mensen
door holt hij achter de ballon aan.
‘Kom op, Pluisdier,’ roept Borre.
‘Pak 'm!’




b
borre

De spin vliegt voor Pluisdier uit en
zweeft langzaam hoger en hoger.
Pluisdier springt op een kinderwagen
en van de kinderwagen op de
schouders van een man die
helemaal vooraan in de rij staat.
Vandaar schiet Pluisdier door de
lucht naar de ballon en hap!
Hij heeft het touw in zijn bek.
‘Ja, je hebt 'm!’ juicht Borre.
‘Goed zo!’




m
man

Eventjes blijven Pluisdier en
de spin stil in de lucht hangen.
Maar dan dalen ze langzaam
recht naar beneden.
Pluisdier zakt zó met zijn pluizige
kontje in de suikerspinnenmachine!




k
kontje

Hè bah, wat plakt dat zoete
suikerspinnenspul kriebelig
aan zijn bips.
Brrrrr, wat een vies gevoel!
Pluisdier wil zo snel mogelijk
weg uit deze kleeftroep.
Vlug springt hij uit het apparaat.
Een dikke sliert suikerspin fladdert
achter hem aan.
Wáááh! Het zit helemaal aan me
vastgeplakt, denkt Pluisdier.
En het kriebelt nog steeds! Wáááh!
Met het touwtje van de ballon
stevig tussen zijn tandjes zet
Pluisdier het op een lopen.
Hij probeert weg te rennen
voor zijn eigen plakbips.


t
touw

‘Hé Pluis, waar ga je heen?’
roept Borre.
‘Kom hier, gek beest!’
Maar door de kriebel hoort
Pluisdier hem niet.
Hij rent rond de benen van
een vrouw op hoge hakken.
En om een jongetje met rood
haar en een kaneelstok.
Dan springt hij over een brommer
waarop een jongen en een meisje
elkaar zitten te kussen.
Achter zich aan trekt Pluisdier het
steeds langer wordende suikerspinsel.




b
benen

Borre probeert hem bij te houden
en te bevrijden van zijn roze staart.
Maar Pluisdier is veel te snel.
Hij holt kriskras over de kermis.
Mensen raken verstrikt in de
suikerspindraden.




h
hoed

Dan draait Pluisdier een rondje om een
lantaarnpaal en botst tegen Borre op.
Snel tilt Borre Pluisdier op en pulkt
de zoete plaksliert los.
‘Rustig maar,’ sust Borre.
‘Het is er al af.’
Pluisdier is blij.
Hij heeft gelijk geen kriebels meer.
Kwispelend geeft hij Borre
zijn ontsnapte spin terug.
‘Superbedankt, Pluisdier,’
zegt Borre trots en vrolijk.
‘En kijk! Ik heb niet alleen m'n ballon
terug, maar m'n knalroze spin heeft
nu ook zijn eigen knalroze...’


p

paal

‘... suikerspinnenweb!’

b

ballon





p


pluisdier





w

web

s

spin